Methode
HomeNEMESISMethodeDiagnostisch instrument

Diagnostisch instrument

In NEMESIS-3 wordt een diagnostisch instrument afgenomen, namelijk de doorontwikkelde CIDI 3.0. Deze paragraaf beschrijft de structuur van de CIDI, de doorontwikkeling die heeft plaatsgevonden en de rekenregels waarmee de aanwezigheid van psychische aandoeningen bepaald kunnen worden.

De structuur van de CIDI

De CIDI is een diagnostisch instrument dat kan worden afgenomen door getrainde interviewers zonder klinische achtergrond. Het is een volledig gestructureerd interview: het antwoord op een vraag leidt volgens vaste regels tot de volgende vraag.

De CIDI begint met een screening sectie met kernvragen over verschillende psychische aandoeningen ooit in het leven. Respondenten die vragen hieruit bevestigend beantwoorden, krijgen de secties over de afzonderlijke aandoeningen voorgelegd. Deze secties zijn steeds op een vergelijkbare wijze opgebouwd en bevatten elk vragen over de volgende elementen:

  • De aanwezigheid van symptomen van de psychische aandoening ooit in het leven
  • De hoeveelheid last of hinder die een respondent ooit in het leven van de klachten had
  • Het aantal episoden of de duur van de klachten ooit in het leven
  • De aanwezigheid van de klachten in de afgelopen 12 maanden
  • De mate van hinder van de klachten in de afgelopen 12 maanden op verschillende terreinen
  • Het aantal dagen in de afgelopen 12 maanden niet in staat normale bezigheden uit te voeren vanwege de klachten
  • Het beloop van de klachten gedurende het hele leven
  • Het zorggebruik ooit in het leven en in de afgelopen 12 maanden vanwege de klachten

Uit de antwoorden valt af te leiden of voldaan wordt aan de criteria van een psychische aandoening. De interviewer of respondent krijgt hier geen informatie over. Het bepalen van de diagnoses wordt gedaan door de NEMESIS-onderzoekers met behulp van Rekenregels die de criteria van de DSM volgen.

De aanwezigheid van de volgende psychische aandoeningen wordt gemeten met de doorontwikkelde CIDI 3.0:

Ook suïcidaliteit werd gemeten met de CIDI. In de aanvullende vragenlijst werden bovendien screeners van andere psychische problemen opgenomen (b.v. psychotische ervaringen, autistische kenmerken, slapeloosheid) (zie Aanvullende vragenlijst).       

Ontwikkelingen en aanpassingen

De CIDI 3.0 is ontwikkeld voor het bepalen van DSM-IV psychische aandoeningen en wordt gebruikt in de WHO-WMHS. In NEMESIS-3 werden drie typen aanpassingen gemaakt in de CIDI 3.0: enkele minder relevante vragen werden verwijderd, een paar doorverwijzingen werden aangepast, en een aantal vragen werd toegevoegd om DSM-5 aandoeningen te kunnen meten. Verderop lichten we deze aanpassingen toe.

Klinische validatie-studies in verschillende landen ​(Haro et al., 2006)​ hebben aangetoond dat de CIDI 3.0 stemmings-, angst- en middelenstoornissen over het algemeen met een goede validiteit vaststelt in vergelijking tot geblindeerde klinische herbeoordelingsinterviews met de SCID. Hoewel de criteria van veelvoorkomende psychische aandoeningen volgens de DSM-IV en de DSM-5 redelijk hetzelfde zijn, zijn de validiteit en betrouwbaarheid van onze aangepaste CIDI 3.0 om DSM-5-diagnoses te bepalen niet onderzocht.

Verwijderde vragen en aangepaste doorverwijzingen
Om de respondenten niet onnodig te belasten, is de CIDI waar mogelijk ingekort. Vragen werden alleen weggelaten als ze: 1) niet nodig zijn om de aanwezigheid van een aandoening vast te stellen of de prevalentiecijfers niet of nauwelijks beïnvloeden, en 2) niet zijn gebruikt voor publicaties op basis van de data van NEMESIS-2.

Een ​​voorbeeld: volgens de DSM-IV mogen symptomen van een psychische aandoening niet volledig te wijten zijn aan een fysieke oorzaak zoals lichamelijke ziekte, een letsel, of het gebruik van drugs, alcohol of medicatie. In de CIDI 3.0 die in NEMESIS-2 werd gebruikt, werden vragen over deze fysieke uitsluitingsregel gesteld. Een clinicus beoordeelde daarna de antwoorden op deze vragen om te zien of er inderdaad sprake was van fysieke uitsluiting. Dit was bij vrijwel geen enkele respondent in NEMESIS-2 het geval. In NEMESIS-3 zijn deze vragen over de fysieke uitsluiting daarom weggelaten.

In twee secties van psychische aandoeningen zijn aanpassingen doorgevoerd in de doorwijzigingen van vragen. Ten eerste kreeg in NEMESIS-2 iedereen die ooit in het leven drugs had gebruikt, de vragen over de symptomen van de betreffende drugsstoornis. In NEMESIS-3 is hier een doorverwijzing ingevoegd zodat alleen respondenten die ooit vaker dan één keer per maand een specifieke drug hebben gebruikt, de vragen over de symptomen kregen. Consultatie van experts bevestigde dat deze wijziging hoogstwaarschijnlijk de validiteit van het vaststellen van deze aandoeningen verhoogt. Ten tweede zijn enkele doorwijzigingen in de sectie Depressieve stoornis gewijzigd. In NEMESIS-3 worden respondenten die niet voldoen aan de kernsymptomen van een depressieve stoornis langer in de sectie gehouden. Met deze aanpassing kan in de toekomst subklinische depressie beter worden bestudeerd dan in NEMESIS-2 het geval was ​(Tuithof et al., 2018)​.

Voordat een vraag werd verwijderd of een doorverwijzing werd aangepast in de oorspronkelijke CIDI 3.0 die in NEMESIS-2 werd gebruikt, hebben we het effect ervan op de prevalentiecijfers binnen de dataset van NEMESIS-2 bekeken. Dat effect was slechts klein en niet significant. De verschillen in de prevalentiecijfers ooit in het leven en in de afgelopen 12 maanden vóór en nadat we de CIDI 3.0 hadden ingekort, staan weergegeven in de tabel.

Vragen toegevoegd
De CIDI 3.0 is ontwikkeld voor het bepalen van DSM-IV stoornissen. Voor NEMESIS-3 is de CIDI op sommige punten aangepast zodat ook DSM-5 stoornissen bepaald kunnen worden.

Aanpassingen zijn met name gedaan in de sectie Alcoholstoornis en de sectie Drugsstoornis. Zo kent de DSM-5 een nieuw clusteringscriterium van 2 of meer symptomen in dezelfde periode van 12 maanden. Dit nieuwe clusteringscriterium is nu ook opgenomen in de CIDI. Om de lengte van het interview te beperken, werden voor drugsstoornissen de vragen over clustering voor maximaal twee drugs bepaald. Als een respondent meer dan twee drugs gebruikte, waaronder cannabis, dan hadden de vragen over clustering altijd betrekking op cannabisgebruik én op de drug die de meeste problemen veroorzaakte. Het nieuwe DSM-5 symptoom over ‘hunkering’ (‘craving’) was al opgenomen in de CIDI 3.0. We hoefden hier dus geen symptoomvraag aan de CIDI toe te voegen. Wel zijn wijzigingen aangebracht in de zogenaamde rekenregels die een stoornis definiëren (zie Rekenregels).

In de DSM-5 is de beginleeftijd van ADHD verhoogd van 7 naar 12 jaar. Ook in de aangepaste CIDI-versie wordt daarom nu gevraagd naar aanwezigheid van ADHD-symptomen vóór de leeftijd van 12 jaar in plaats van 7 jaar.

Rekenregels

Uit de antwoorden op de CIDI kan met behulp van rekenregels afgeleid worden of mensen voldoen aan de criteria van een psychische aandoening. De rekenregels van de CIDI 3.0 zijn gebaseerd op DSM-IV diagnosen. Deze rekenregels zijn aangepast om ook DSM-5 diagnosen te kunnen bepalen. De aanwezigheid van DSM-5- psychische aandoeningen werd grotendeels gebaseerd op informatie die al beschikbaar was in de CIDI 3.0. Daarnaast waren enkele kleine veranderingen in de rekenregels nodig. Er is overlegd met experts uit de klinische praktijk voordat deze veranderingen doorgevoerd werden. De belangrijkste veranderingen waren:

  • Een symptoom of criterium weglaten uit de rekenregels van een bepaalde aandoening. Zoals het weglaten van het symptoom ‘problemen met justitie’ om stoornissen in alcohol- en drugsgebruik te bepalen. Of het weglaten van het criterium ‘rouw’ om depressieve stoornis te bepalen.
  • Een nieuw symptoom toevoegen aan de rekenregels van een bepaalde stoornis. Zoals het toevoegen van het symptoom ‘hunkering’ om alcohol- en drugsstoornissen te bepalen.
  • De nieuwe DSM-5 diagnose persisterende depressieve stoornis is een samenvoeging van de DSM-IV diagnostische categorieën chronische depressie en dysthymie. Deze waren al gedefinieerd binnen NEMESIS-2 en zijn nu in de rekenregels samengevoegd.
  • In de DSM-IV werd agorafobie gezien in de context van een paniekstoornis. Dit is in de DSM-5 niet langer het geval. Als een persoon voldoet aan de criteria voor paniekstoornis én agorafobie, dan zijn volgens DSM-5 beide diagnoses aanwezig. De criteria voor het bepalen van DSM-5 agorafobie zijn nu vergelijkbaar met die van andere fobieën. De nieuwe rekenregels voor agorafobie zijn daarom nu ook vergelijkbaar met de rekenregels voor andere fobieën.
  • De meeste wijzigingen werden aangebracht in de rekenregels om alcohol- en drugsstoornissen te bepalen. Namelijk: het weglaten van het symptoom ‘problemen met justitie’, het toevoegen van het symptoom ‘hunkering’, het combineren van de symptomen van misbruik en afhankelijkheid en het toevoegen van het nieuwe clustercriterium.

Referenties

  1. Haro, J. M., Arbabzadeh-Bouchez, S., Brugha, T. S., de Girolamo, G., Guyer, M. E., Jin, R., Lepine, J. P., Mazzi, F., Reneses, B., Vilagut, G., Sampson, N. A., & Kessler, R. C. (2006). Concordance of the Composite International Diagnostic Interview Version 3.0 (CIDI 3.0) with standardized clinical assessments in the WHO World Mental Health surveys. In International journal of methods in psychiatric research (No. 4; Vol. 15, pp. 167–80). http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17266013
  2. Tuithof, M., ten Have, M., van Dorsselaer, S., Kleinjan, M., Beekman, A., & de Graaf, R. (2018). Course of subthreshold depression into a depressive disorder and its risk factors. In Journal of Affective Disorders (Vol. 241, pp. 206–215). https://doi.org/10.1016/j.jad.2018.08.010

Aanvullende informatie

Hoe te verwijzen

    ten Have, M., Tuithof, M., van Dorsselaer, S., Schouten, F., de Graaf, R. NEMESIS Methode Diagnostisch instrument .Geraadpleegd op: 07 february 2023 .Trimbos-instituut, Utrecht